Het

"Op 12 april 1914 ging ik op zoek naar de naar een bijenkolonie, omdat het nieuw gebouwde bijenhuis nog leeg was en nu eindelijk bezet zou moeten zijn. Het was een lange en moeizame reis die me door de bergen bracht. Met de individuele bergboeren bediscussieerde ik mijn bezwaar van wat ze me wilden aansmeren; al leek het alsof mijn pogingen tevergeefs waren geweest. Niets kon mij echter van mijn eens geplande project afhouden en dus bereikte ik de verdere beklimming van een woonerf, waarvan de eigenaar gewoon aan het verhuizen was. Bij deze man stonden zes bijenkolonies in rieten manden en een kleine bijenstand die het jaar daarvoor in een houten bijenkasten waren geplaatst.
De boer kon niet worden overgehaald om een ​​goed volk te verkopen, alleen de zwakke volken waren ter beschikking. Al mijn spraakkunst was nutteloos en daarom besloot ik een zwakkeling te kopen. Met gemengde gevoelens verliet ik nu zijn berghut, ongeveer 1200 meter hoog, en bracht de bijen veilig en ongedeerd thuis. De volgende dag was mijn eerste wandeling naar de bijenstal en ik keek van tijd tot tijd bij de opening van de kasten naar de bijen. Beetje bij beetje kwamen de lokale imkers kijken naar mijn bijen, glimlachten naar mijn slechte start en zeiden: "Na verloop van tijd komt alles goed."

Ondersoort “carnica”.

De Krainer bij (Apis mellifera carnica), ook bekend onder de namen Carnioolse bij, Carnische bij, Carnica honingbij, grijze bij, carnicabij en Sloveense honingbij, is een ondersoort van de honingbij. De bij komt van oorsprong uit Slovenië en heeft zich van daar uit verspreid over Oostenrijk, delen van Hongarije, Roemenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Servië. Deze bij komt van nature voor in de Sloveense regio Krain, het zuidelijke deel van de Oostenrijkse Alpen en het noordelijke deel van de Balkan.

 Ze is een bij uitstek zachtaardige honingbij (en wordt daar uiteraard ook verder op geselecteerd) en bezit een grotere tonglengte dan de inheemse donkere bij. Haar snelle voorjaarsontwikkeling is bekend. Daar tegenover staat dat het broednest in een drachtpauze snel inkrimpt. Het vertegenwoordigd de aanpassing van het habitat en de klimatologische situatie.
Voor de late zomerdracht (o.a. heide) moet ze in de donkere bij haar meerdere erkennen. De raskenmerken van de carnica zijn vastgesteld door de Duitse wetenschapper Goetze.

Binnen de ondersoort Apis mellifera carnica zijn er van oudsher natuurlijke aanpassingen door diverse regio’s tot stand gekomen. Er zijn sedert de eerste helft van de 20ste eeuw een viertal rassen geselecteerd, stammen die zich tot op heden hebben gehandhaafd. Ze zijn tot stand gekomen doordat bijzonder vakkundige imkers en imkersgroeperingen een aanhoudende uitlezing

hebben uitgevoerd van bijenkolonies die een hoge honingopbrengst gaven, en voorts enkele essentiële gunstige kenmerken vertoonden zoals zachtaardigheid, zwermtraagheid en raamvastheid. De betrokken imkers voerden een selectieprogramma uit en konden zich handhaven doordat ze geteelde koninginnen ook geregeld in de onmiddellijke omgeving verspreidden.

De aldus tot stand gekomen stammen komen uit een carnica populatie met een vrij grote interne erfelijke verscheidenheid. Door de uitgevoerde ‘massaselectie’ zijn ze aangepast aan één of een paar regio’s waarin ze gevormd werden. Brengt men ze over naar een andere regio, dan is het resultaat niet voorspelbaar: In het ene geval zal dit een succes zijn, in andere gevallen kan het resultaat wel eens erg tegenvallen. De oorzaak hiervan ligt in het tot stand komen van nieuwgevormde genencombinaties met andere minder homogene genenstructuren van een externe populatie. Deze vreemde populatie doet uiteraard een duitje in het zakje van de genen die al aanwezig waren, de poel wordt dus nog groter maar zeer variabel en onvoorspelbaar. In sommige gevallen heeft men vastgesteld dat het invoeren van een uiterst zachtaardige populatie van een bepaalde carnicalijn in een carnicapopulatie van een andere streek aanleiding geeft tot een nakomelingschap waarvan een deel van de kolonies erg steeklustig werden.

Slovenië, de bakermat van de carnicarassenrassen...

Reeds in de 18de eeuw publiceerde Anton Janša (Fig. 1), leraar aan de toenmalige ‘Keizerlijke bijenteeltschool’, twee merkwaardige leerboeken over bijenteelt die in hoge mate hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van de rationele bijenteelt: ‘Abhandlung vom Schwärmen der Bienen’ (1771) en ‘Vollständige Lehre der Bienenzucht’ (1775).

De kleine Sloveense bijenkastjes, die met hun beschilderde voorwand tot de volkscultuur behoren, vormen mede de basis van de ontwikkeling van een bijzonder geografisch tot stand gekomen carnicapopulatie in het Sloveens gebergte nabij de Hongaarse en Oostenrijkse grens. Dit is het oorsprongsgebied van de carnicabij. Op grond van zijn bijzondere eigenschappen werd deze bijenpopulatie in 1879 door Pollmann beschreven als een afzonderlijke ras, van de Apis mellifera carnica.
Volgens Ruttner (1992) komen in andere, meer noordoostelijk gelegen gebieden van Oostenrijk, natuurlijke kruisingen met andere rassen voor.
Susnik et al. (2004) voerden een met DNA en nucleaire DNA-analyse uit van bijen uit 269 lokaliteiten in Slovenië.
Ze vonden voor deze bijenpopulatie een uiterst homogene structuur met een aparte genenconfiguratie binnen het carnica gebied.
Reeds ten tijde van Janša werden op intensieve wijze koninginnen naar het buitenland uitgevoerd, maar het is pas later dat men aan oordeelkundige selectie is gaan doen en dat de Sloveense stam als ‘carnica 03’ gekarakteriseerd werd. In 1984 werd in Ljubljana een overheidsdienst (‘Amt für die Auslese der Carnica’) belast met de ondersteuning en de controle van de kwaliteit van het specifiek plaatselijke carnicaras, als ondersoort, in Slovenië.

Het invoeren van om het even welk ander bijenondersoort in Slovenië is uitdrukkelijk verboden, en later ook in Oostenrijk en aan de imkers wordt voorgeschreven elke bijenkoningin, die niet aan de raskenmerken van de carnica beantwoordt, te vernietigen.

Het ras ‘Carnica Peschetz’.

Het is de Oostenrijkse imker Hans PESCHETZ (1901 - 1968) een Oostenrijkse spoorwegbeambte die in de twintiger jaren een nateelt begon uit een raszuivere carnicazwerm, die hij uit een afgelegen dorp in ‘Oberkärnten’ had meegebracht.. Hij hield vanaf 1924 eerst ongeveer 24 bijenvolken. Toenmalig was de samenstelling van de bijen in Kärnten en de Steiermark, uit een mengeling van Carnica’s en Italiaanse bijen . In mei 1926 bemachtigde hij in een afgelegen dorp in "Oberkärnten",van een kleine bijenstand, een 3,5 kilogram zware zwerm van een zuiver Carnica volk. Uit dit volk komt zijn teelt voort.
Hij erin geslaagd het aantal “vreemdparingen” tot een minimum te beperken door steeds een groot aantal nakomelingen met een goed gekozen darrenteelt op een vrij goed geïsoleerde bevruchtingsstand in een vallei van het hooggebergte op te stellen.
Reeds vóór de tweede wereldoorlog voerde Peschetz carnicakoninginnen uit naar een paar vooraanstaande imkers in Noord-Duitsland. De honingopbrengsten van de voorjaarsdrachten lagen daar zo hoog boven de gangbare gemiddelden, dat de belangstelling voor dit carnicaras als ondersoort gestadig steeg. Dank zij het oprichten van een bevruchtingsstation op het kleine eiland Hallig bij de westkust van Friesland zijn de resultaten doorheen de naoorlogse periode bewaard gebleven. Later en tot op heden kwam daarbij nog het grotere bevruchtingsstation op het eiland Sylt. Op dit eiland wordt tot op heden het Peschetz-ras in reinteelt gehouden. Een te verregaande inteelt wordt vermeden door om de drie à vijf jaar een paar koninginnen van een Peschetz-teler uit Oostenrijk in te voeren.

Het ras ‘Carnica Sklenar’

Reeds vóór 1900 was Guido Sklenar in het Noord-Oosten van Oostenrijk begonnen met een selectie in en rond zijn bijenstand. In het wijndeel van Oostenrijk, dus aan de rand van het eigenlijke Carnica verspreidingsgebied, hield Guida Sklenar zich bezig met de selectie van de oorspronkelijke gevestigde bijen.
In 1890 was hij als jonge leraar naar Mistelbach gekomen, bouwde zelf een bijenstand op en korte tijd later nam hij ook de bijenstand van zijn schoonvader over met 36 volken, zodat hij in totaal 50 volken verzorgde. Eveneens gedreven door de tijdsgeest die door heel wat Europese landen spoelde, voortgestuwd in de overtuiging dat de bijen van elders ook veel beter waren... voelde ook Guido zich hierdoor aangesproken...
Zijn stand van een vijftigtal kolonies lag bij de rand van het natuurlijk verspreidingsgebied van de carnicabij. Het natuurlijk habitat lag zo een duizend km noordwaarts en in een meer continentaal gebied dan de plaats waar Peschetz 25 jaar later zijn selectie zou beginnen. Het is dus niet verwonderlijk dat tientallen jaren later ervaren specialisten in de praktijk soms vrij uiteenlopende resultaten boekten met deze uiteraard verschillende geografische typen van het carnicaras.

Guido Sklenar kweekte telkens weer nakomelingen uit bijenkolonies met een zeer hoge honingproductie, eenzachtaardig gedrag, raamvastheid, vluchtactiviteit bij vrij lage temperatuur, een regelmatig ontwikkeld broednest, omgeven door een voorraad- en stuifmeelgordel en een snelle voorjaarsontwikkeling. Een nadeel, dat later uitgeselecteerd werd, was de te sterke propolisering.
Aanvankelijk selecteerde hij gedurende een aantal jaren, zonder afzonderlijke bevruchtingsstand, telkens weer koninginnen uit de beste volken die hij dan invoerde in zijn overige volken en bij de imkers van een brede omgeving.
In één uitgelezen volk werden massaal darren gekweekt. Het is pas enkele tientallen jaren later, na de ontdekking van de meervoudige paring, dat men, ook bij Peschetz, begon met het plaatsen van meerdere darrenvolken op de bevruchtingsstanden.
Tegenwoordig zijn de Sklenartelers in de van oudsher bestaande ‘Sklenarbund’ georganiseerd me t goed georganiseerde bevruchtingsstanden en K.I.-centra. De ‘Sklenarbund’ vermeldt zeven linies met elk specifieke kenmerken. Men kan deze terugvinden op www. bienenzucht.de. Voor bepaalde selectiedoeleinden kan het nuttig zijn de ene of de andere in een selectieprogramma in te voeren.

 

Het ras Troiseck.

Teler Jacob Wrisnig – 1875 – 1952. 

Het ras Troiseck komt oorspronkelijk uit de Obersteiermark (Mürztal) en is vernoemd naar het bevruchtingsstation "Troiseck" gelegen boven Kindberg.

Hij beschreef in 1914 hoe zijn Troiseckvolk, afkomstig uit een kleine bijenkolonie van de Töller-moaralm, begon:

"Op 12 april 1914 ging ik op zoek naar de naar een bijenkolonie, omdat de nieuw gebouwdebijenstal nog leeg was en nu eindelijk bezet zou moeten zijn. Het was een lange en moeizame reis die me door de bergen bracht. Met de individuele bergboeren bediscussieerde ik mijn bezwaar van wat ze me wilden aansmeren; al leek het alsof mijn pogingen tevergeefs waren geweest. Niets kon mij echter van mijn eens geplande project afhouden en dus bereikte ik de verdere beklimming van een woonerf, waarvan de eigenaar gewoon aan het verhuizen was. Bij deze man stonden zes bijenkolonies in rieten manden in een kleine bijenstand vaarin de bijen het jaar daarvoor in houten bijenkasten waren geplaatst.
De boer kon niet worden overgehaald om een ​​goed en stevig volk te verkopen, alleen de zwakke volken waren ter beschikking. Al mijn spraakkunst was nutteloos en daarom besloot ik een zwakkeling te kopen. Met gemengde gevoelens verliet ik nu zijn berghut, ongeveer 1200 meter hoog, en bracht de bijen veilig en ongedeerd thuis. De volgende dag was mijn eerste wandeling naar de bijenstal en ik keek van tijd tot tijd bij de opening van de kasten naar de bijen. Later kwamen lokale imkers, beetje bij beetje kijken naar mijn bijen, glimlachten naar mijn slechte start en troosten me: "Na verloop van tijd komt alles goed."

De bevruchtingsstation van Jacob lag ongeveer op ongeveer 1000 meter boven de zeespiegel, noord-westen van Kindberg en werd geopend in 1935 als het eerste bevruchtingsstation door het Landesverband erkend.
Ondanks de meest ongunstige weersomstandigheden, koppelden meer dan 50 koninginnen ongeveer 60%. Op dat moment was dat een bevredigend resultaat. Als darrenvolk werd een kolonie gekozen, die een jaarlijkse honing opbrengst van 31,5 kg opbracht dat in zeven jaar de gemiddelde score was, dat een piekvermogen van die tijd was. Amusant vanuit het perspectief van vandaag, was een verslag over de oprichting van het paringsstation in het juninummer van “Die bienenvater” in 1935: "De Styrian bijenteeltvereniging heeft een geschikte plaats op Troiseck gevonden in Kindberg en vond een bewijs voor het gecontroleerd bevruchten van koninginnen. Het darrenrijk bijenvolk werd door de imkers Jakob Wrisnig in Kindberg opgesteld. Het staat onder de scherpste observatie sinds jaren en is ongekend.

Hoe Troiseck een naam kreeg......
Wrisnig besteedde de grootste zorg aan het onderhouden van zijn bijen, zodat hij exclusief kon fokken in de Carnica. Koninginnen. De volken die geteeld of vermengd waren met vreemde darren waardoor deze slechte resultaten gaven werden resoluut buiten spel gezet... Wrisnig’s criteria voor de kweek was een constante productie van honing, zwerm traagheid, tijdige ontwikkeling, weersbestendigheid, een goede speurdrift, uitstekende winterzit, zachtaardigheid, raamvastheid en natuurlijk de rastypische uiterlijk van Carnica. Sommige van deze criteria worden nog steeds gebruikt in de moderne bijenteelt. De Troiseck was oorspronkelijk een typische berg Carnica en daarom oorspronkelijk het best aangepast aan de weersomstandigheden en de verweeromstandigheden in de bergen.
Al in 1936 had Wrisnig grote successen: van de 57 mensen waren er slechts drie zwermen verloren gegaan, de honingdonatie lag 184% boven het gemiddelde van andere bijenstanden. Dit succes kan twee keer worden overschreden: 1937, 54 volken, geen zwerm, honingopbrengst 220%; 1941, 59 mensen, geen zwerm, honing levert 207% op. Vooral in slechte jaren was de uitstekende genetica van zijn lijn gewogen. Hier was hun uitstekende kwaliteit. Dit was ook de reden waarom Wrisnigs-koninginnen uit 1938 ook werden geëxporteerd naar Duitsland, waar ze nog steeds als lijn worden gefokt en door imkers wereldwijd worden gebruikt. Om dezelfde reden besloot de fokker Singer in 1947 om te gaan kweken met twee volken van het Troiseck-ras. Afgezien van de uitstekende prestaties van Troiseck had ze ook de meest beperkte standaard (Cubital-index, enz.) Van alle trunks in die tijd in heel Duitsland.

Deze “bij” is een goed doorgeteelde berg-Carnica met alle kenmerken en voordelen van het ras. Ze heeft zich, net zo goed als de Sklenarbij, reeds tientallen jaren onder verschillende klimatologische omstandigheden, over de hele wereld, bewezen. Uit volken van dit ras worden sinds 1948 in de afdeling bijen in Lunz am See (Niederösterreich) volgens de geldende regels meerdere teeltlijnen onderzocht en geselecteerd en verder ontwikkeld op proefstanden.

De namen van deze lijnen zijn, Carnica-Troiseck-1012, Carnica-Troiseck-1075,
Carnica-Troiseck-07 en de "Wintersbach" en zijn in telers kringen bekend.

Doordat in Lunz, reeds meer dan 30 jaar, selectiewerkzaamheden zijn verricht, wordt deze bij vandaag de dag meestal als "stam Lunz" gekwalificeerd.
Sinds de komst van de Varoa is men in Lunz bezig om selectie uit te voeren op de Troiseck Carnica. Hierover zijn afspraken gemaakt om een bevruchtingseiland tot hun beschikking te hebben. Jaarlijks is het eiland Norderney een gedeelte van het jaar voor dit zogenaamde varoa tolerantie programma beschikbaar.

Friederich Ruttner 1914 – 1998, hij was professor in de zoölogie aan de unyversiteit van Frankfurt bestudeerde in het bijzonder de karaktertrekken van de carnica’s. Hij ontwikkelde een doorgedreven lijnteelt die de Hoffmannlijn zou worden en die vooral verder werd geselecteerd via de paringsstand op Siekeroog.