De genetische realiteit…

Tussen de verschillende ondersoorten zijn er ook genetische verschillen waar te nemen. Deze genetische verschillen zijn te merken in; lichaamsbouw, interactie met het biotoop, de interactie met de weersomstandigheden/klimaat, communicatie, bouw van het meubilair, ontwikkelingssnelheid en –ruimte, verweringsmechanisme, concurrentie, foerageereigenschappen, zwermeigenschappen, paringsgedrag, broedritme enz.
In elke regio en biotoop is de heersende ondersoort kampioen…

Het “nameten” en “uittesten” van verschillende ondersoorten naast elkaar, houdt meestal geen steek omdat het meestal gaat over zeer tijdelijke waarnemingen en vergelijkingen zullen dus ook weinig objectieve besluiten tonen.
Wat we best in het selectieprogramma opnemen is de waarde van het bijenvolk dat zich toont binnen voldoende concurrentie en binnen de schoot van een verwant ras in reinteelt vererving.
Binnen een zelfde ras van een bepaalde ondersoort zijn er doorgaans voldoende variaties waar te nemen, die uitnodigen tot vergelijking en tot uitlezing.
Het komt er op neer om te weten waar je naartoe wil.

Een interessant gegeven is de broedlengte van het bepaald ras waarmee we aan de slag willen.
De laatste jaren komt de waarde van de “gezondheid” bovendrijven.
Vooral de varroa-tolerantie ligt op ieders lippen.
Wat we weten van een aantal ondersoorten is dat ze weinig of geen mijten toelaten in het broednest… eigenlijk begrijpen we dat verkeerd. Bij nader onderzoek blijkt vooral dat het broedritme aan de basis ligt van deze interessante eigenschap.
Van de A.m. intermissa en de A.m. capensis en ook van andere A. mellifera’s is geweten dat ze een veel korter broed ontwikkelend systeem er op na houden.

Algemeen werd aangenomen dat alle mellifera”s er hetzelfde tijdsschema op na hielden. Dit blijkt niet helemaal waar te zijn. Binnen één volk kunnen tussen de verschillende “halfzussen” merkelijke verschillen waargenomen worden.
Er zijn ondersoorten die er 21 dagen over doen en er zijn die er slecht 18 dagen over doen en ja er zijn er zelfs die zelfs meer tijd nodig hebben.
We kunnen dus stellen dat dit ook bij alle “kasten” in het volk een feit is. Dit geldt ook voor darren evenzeer voor koninginnen want die zijn even diploïd als de werksters in het nest.

Eigenlijk is het nog straffer…

Er is een onderling genetisch verschil tussen de werksters en dus ook tussen alle individuen in het bijennest.
Het verhaal begint met de “geslachtsdeling” of zeg maar het aanmaken van “gameten” in de geslachtsorganen van de geslachtsdieren. Wanneer een koningin, met de middelen waarover ze beschikt, haar 16 chromosomenparen, verschillende gameten, of zeg maar eitjes aanmaakt, dan is dit geen kleine verscheidenheid; we tellen 216 aan variaties. Als je even mee rekent... een variatie van 65536 genetisch verschillende eitjes.
Onze koningin zal nog eens paren met 10 tot 20 darren…
Even rekenen welke variatie van halfzussen we uiteindelijk krijgen….
Wanneer een koningin met 15 darren paart beschikt het nest over 15 verschillende clusters aan halfzussen…
Wanneer je nu weet dat de genetische variatie tussen de verschillende eitjes nog groter is bereken dan maar eens die genetische waarde van een bijenkolonie…

Honderd koninginnen telen uit één zelfde nest levert niet met zekerheid identieke zussen, wel in tegendeel!
Alleen al de duidelijke verschillen tussen de vaders maakt en bijzondere variatie waar tussen de halfzussen.

Onderschat de erfelijke diversiteit niet die er aanvankelijk door de koningin zelf al is ingelegd…

Het ontwikkelingsritme, van ei tot volwassen individu wordt altijd voorgesteld in dagen. Eigenlijk is het correcter deze in uren te volgen maar dat is omwille van praktische redenen niet mogelijk.
Niet alleen bij de Afrikaanse en oosterse mellifera-ondersoorten zijn er verschillen waar te nemen in deze ontwikkelingsfasen. Blijkbaar is dit ook het geval bij onze “Europese” ondersoorten…
Dus, door de variatie in het halfzussen-schap is er ook een duidelijk verschil waar te nemen in de varroa reproductie van kolonie tot kolonie.

Er staat ons dus een belangrijke opdracht te wachten inzake selectie, om hiermee vooruitgang te maken.
Het komt er nu op neer om de teelttechnische middelen zodanig te organiseren dat we een onderscheid kunnen vinden bij de teelt van koninginnen en natuurlijk ook bij  de teelt van darren.

Op het schema is te zien dat er wel degelijke verschillen zijn ontdekt in het broedritme…
Eieren kippen tussen 66u. en 78u.
Het larvestadium is een realiteit tussen 138u. en 150u.
Het coconstadium loopt tussen 232u. en 290u.

Dit zijn belangrijke verschillen die zich voordoen en die er zijn om wille van biologische toestanden maar zer zeker door de genetische verschillen. Ook de nestomstandigheden en dus het "microklimaat" hebben hun invloed.
Het is de moeite om dit mee te nemen in het selectiesysteem.

Vermits werksters ook halfzussen zijn van de koninginnen, die zich in het bestaand nest ontwikkelen is het vanzelfsprekend dat er zich ook verschillen voordoen tussen deze ontwikkelde koninginnen…

Ervaringen leren ons dat we inderdaad soms grote verschillen ontdekken inzake geboorteritme.

Dit kan de basis vormen om aan de slag te gaan en om volken te selecteren die binnen uitdagende parameters liggen en waarbij bijen sneller ontwikkelen.

Het broedritme bij koninginnen is sneller zoals we weten. Normaal is er na 72 uur een larve, de larve heeft 144 uur tijd om te ontwikkelen en zich dan in te spinnen en nog eens 144 uur om van gedaante te wisselen en uit haar cocon te sluipen. Volgende verschillen zijn waargenomen;
Eieren kippen tussen 65u. en 78u.
De larven doen er 126u. en 144u. over.
Het coconstadium stelt zich tussen 138u. en 175u.

Dit is wel duidelijk… De telling gebeurde na een controle van de eileg van 12u. Met het systeem van Karl Jenter. De ontwikkeling van de larven werd gerealiseerd in zowel moerloze kasten als in moerechte volken. De broedstoof is een onontbeerlijk medium om het uitloopritme te kunnen vaststellen.

Selectie binnen een bepaalde ondersoort...of een vermenging…

Tussen verschillende ondersoorten is de broedrealiteit verschillend. Het ritme, de evolutie van het broed en het broednest kan aardig verschillen… Dit heeft zijn gevolgen voor de ontwikkeling van de verschillende “kasten” of bijenvarianten, dus koninginnen, werksters en darren, in het nest.
Wanneer koninginnen vroeger of later “geboren” worden dan betekent dit dikwijls een kwestie van “overleven” en dus haar eigenschappen doorgeven.

Op deze wijze kunnen vermengingen tussen ondersoorten na een tijdje terug op een natuurlijke wijze hersteld worden...en of er ontstaan andere varianten… We hebben het dan ook hier over “natuurlijke” invloeden geen gecontroleerde paringen…

Het vermengen van verschillende ondersoorten door elkaar maakt dat de genenpoel dan wel vergroot, maar om hieruit handelbare, productieve en gezonde volken naar wensdroom te telen binnen een aanvaardbare periode is zo goed als onbestaande.

Om aan productieve selectie te doen is een stabiliteit nodig binnen de genenpoel. We hebben “vergelijken” nodig.
Bastaarden of hybriden met elkaar vergelijken is zo goed als onmogelijk. Anderzijds is het onmogelijk om stabiliteit te krijgen in het nakomelingschap en dus verder te gaan met de selectie. We hebben immers geen 1000 jaar tijd...

Gevolgen…

Wanneer werksters verschillend geboren worden dan betekent dit een kwestie van variabiliteit en weerstand tegen bepaalde regionaal gebonden kwalen.
Zo weten we van de Varroa destructor dat ze haar noodzakelijke tijd moet doorbrengen als nimf en moet paren vooraleer ze met de jonge bij uit het cocon kruipt.
Ongepaarde mijten zijn gedoemd om weg te sterven…
We weten van een aantal “mellifera”- ondersoorten dat ze “sneller” zijn in hun ontwikkelingsfase dan andere. In die optiek wordt dan ook de besmettingsdruk door de mijt duidelijk waargenomen.
Zo weten we inmiddels dat A.m.scuttellata, de A.m. capensis en de A.m.intermisa een gehele of gedeeltelijke tolerantie hebben tegen de Varroa destructor. Deze verschillen worden waargenomen tussen kolonies onderling en of is zeer specifiek voor deze ondersoort. Waarschijnlijk zijn er meer A.m.-ondersoorten die Varroa tolerant zijn, maar een degelijke studie rond dit fenomeen ontbreekt.

De verschillende ondersoorten zijn in de miljoenen jaren van de evolutie gevormd… ze zijn door het landschap gevormd en zijn dan ook afhankelijk van dit landschap, met haar klimaat en haar bijzonder biotoop. Bijen-ondersoorten uit hun context rukken, om ze pardoes in onze regio's installeren, om de varroamijt te omzeilen is geen verstandige keuze.
Uit het broedgedrag en de genetische diversiteit die in “onze streekgebonden” ondersoorten aanwezig is, is af te leiden dat we voldoende materiaal hebben. We kunnen zeer goed aan de slag met de instrumenten van een degelijk selectieprogramma.Het komt er nu op neer een ernstige keuze te maken…
Vermengen heeft geen zin… we schaden nog meer het bijenlandschap dan het tegemoet te komen.
Het in de toekomst opnieuw afbakenen, van geografische reinteelt gebieden is de enige optie om menselijke willekeur in te dijken samen met de teloorgang van de bijengenenbank. Als het aan mij lag zou de keuze rap gemaakt zijn...maar... daar zijn onontbeerlijke instrumenten voor nodig om een kans van slagen te hebben.

Kies dus... en... probeer uw uitgelezen materiaal ook terug te koppelen en dus te laten paren met minimaal de ondersoort waar ze thuis hoort. Het doel is dan binnen bereik, een stabiele soort die je duidelijkheid geeft tot geleide selectie voor en betere toekomst. Heb dan ook respect voor de afbakeningen of voor de ondersoort waarmee men aan de slag gaat en wees dus geen blinde puritein zonder gezond verstand….

Alle ogen zijn nu gericht op het selectiewerk...

Mede op het “beleid” dat moet instaan voor de herop waardering van het landschap en vooral het indringend besef van de zware schade die veroorzaakt wordt door het blinde eigenzinnige gebruik van pesticiden. Dit gebruik is weinig gericht op oordeelkundigheid, ze zijn eerder gebaseerd op grootse economische doelen dan op de biologische waarden van het habitat en onze leefwereld.
Er is dus behoorlijk wat werk aan de winkel!