Iets over erfelijkheid...

Koninginnen telen is een techniekje dat men na enkele oefeningen in de vingers heeft. Het komt er echter niet op neer zo maar koninginnen op de wereld te zetten.

Zoals we reeds stelden, beïnvloeden zij in grondige mate het nakomelingschap, ze drukken een belangrijke stempel op de ruime omgeving, dus ook op de aanwezige bijenkolonies. Ze beïnvloeden in sterke mate de luxe van het imkeren, zelfs deze van de collega's imkers.
We moeten vooral goed beseffen dat het gedrag van een bijenvolk, onuitwisbaar neergeschreven staat in het erfelijk patroon waarover het eileggend organisme, de koningin, beschikt.
Haar nakomelingen dragen hiervan een belangrijk deel met zich mee, vermengd met de erfelijke massa, van de darren uit de omgeving. We weten immers dat darren en koninginnen van 0- 20 km., en zelfs verder, uitvliegen om te paren!! Er zijn zelfs beweringen dat dit een gematigd gemiddelde is.
Onderzoeken hebben zelfs aangetoond dat koninginnen kunnen verder trekken om te paren.
Het is dus niet zo evident dat een koningin zonder meer, “gepaard” wordt, .
Ernst en aandacht is dus meer dan gewoon op zijn plaats.
Om enig doorzicht te hebben in het “vererven” moeten we grijpen naar “de wetenschap” die hierover zeer diepgaande studies heeft verricht en nog verricht.
We willen echter op een eenvoudige en overzichtelijke wijze een inzicht geven, hoe het erfgoed zich verplaatst en zich weet voort te planten. De soorten behouden daarbij hun eigen karakter, men kan zeggen dat de soorteigenschappen van de ouders met een vast patroon overgeërfd worden. De Augustijnermonnik Gregor Mendel (1822 - 1884) is de eerste die door middel van kruisingsproeven bij planten, algemeen geldende wetten ontdekte voor de overdracht van erfelijke factoren. Hoe ze worden doorgegeven in de nakomelingen en hoe we daar in de praktijk kunnen op inspelen. Elk levend wezen is in regel in de mogelijkheid zich geslachtelijk voort te planten.
Vóór Mendel werd nog vrij algemeen aangenomen dat de erfelijke eigenschappen die van de ouders op de nakomelingen overgedragen werden, door wat men van oudsher aanduidde als "bloed". Het was de “bloedverwantschap”.
Het bloed van de ouders mengde zich, naar men meende, in de nakomelingen, met als gevolg dat de erfelijke eigenschappen voor de helft afkomstig waren

van de vader en voor de helft van de moeder en dus voor een vierde van ieder van de vier grootouders.

Mendel kon het verkeerde ervan bewijzen en op zijn gevonden wetmatigheden steunt nu nog de moderne erfelijkheidsleer. Door overerven wordt verstaan dat kenmerken van een generatie overgaan op de nakomelingen.

Bij de bevruchting komt een eicel van de vrouwelijke partner samen met een zaadcel van het mannelijk individu en deze 2 samen geven de bevruchte eicel of zygote. Hierdoor ligt het voor de hand dat die eicel en die zaadcel de enige schakels zijn tussen de ouders en hun nakomelingen. Uit de zygote ontwikkelt zich, door menigvuldige celdelingen, een nieuw individu.
Het tot uiting komen van de geërfde eigenschappen moet dus, in dit geval, langs de geslachtscellen overgebracht worden.
Uit gelijke eicellen en gelijke zaadcellen moeten normaal gelijke zygoten ontstaan waaruit individuen moeten groeien met dezelfde erfelijke aanleg. Door in te grijpen in de levensvoorwaarden, door toedoen van externe factoren (het milieu), kunnen er echter verschillen ontstaan. De verschillen in waarneembare kenmerken als gewicht, lengte, gezondheidstoestand, kleur, haarlengte, vleugelindex, het gedrag, enz. worden algemeen aangeduid als variatie.
De variatie kan dus aangeboren zijn ofwel veroorzaakt worden door het milieu ofwel door een interactie van de twee, wat meestal de werkelijkheid is.

Dus niet alleen de erfelijke kenmerken bepalen hoe een individu eruit zal zien of hoe het zich gaat gedragen.

Het is niet zo evident dat een levend wezen zich vertoont zoals het is geprogrammeerd, want dan zou het zeer gemakkelijk zijn voor wat betreft het effectief aflezen van de erfelijke massa. Oordeelkundige selectie zou dan kinderspel zijn. Hieruit moeten we dus duidelijk afleiden dat ook de “hand” van de imker een belangrijke impact heeft op het gedragspatroon van de het bijenvolkje. Ook het “biotoop” heeft de bij gemaakt zoals ze op de dag van vandaag ervaren wordt. Deze factor is een niet te onderschatten onderdeel in het ganse verhaal van de selectie en het gebruik van de zogenaamde “betere” rassen of ondersoorten. De “betere bij” naar andere oorden brengen heeft nog nooit “betere” resultaten of ervaringen met zich gebracht in de imkerij… Sterker nog, het heeft andere “biotoop bestendige rassen” zwaar beïnvloed, waardoor er meer miserie en ergernis, voor de plaatselijke imkerij, is veroorzaakt dan de “geplande voordelen”. Steeds vergeet men het aspect van de paringen en de resultaten ervan...meer nog, men vergeet de “controle” en de latere gevolgen.

Belangrijke begrippen...

Hybriden:
Tot nu toe is het zeer eenvoudig geweest om de basis van de vererving te kunnen verstaan.
Er zijn kruisingen waarbij de individuen slechts voor één eigenschap verschillen.
De hieruit ontstane bastaarden noemen we monohybriden. Wanneer de bastaarden voor 2 of meer eigenschappen verschillen noemt men ze respectievelijk di-hybriden of poli-hybriden. In de meeste gevallen zullen we met deze laatste dan ook geconfronteerd worden.

Bastaarden:
Dit zijn nakomelingen waarvan er een vermengen van genetische eigenschappen tussen soorten heeft plaats gehad. Meestal geeft dit een onvoorspelbare verzameling van genetisch materiaal waarvan de reacties niet altijd de verwachtingen nakomt. Het genetische patroon naar het nakomelingschap van de latere teelt is onbestendig en laat zich ook onvoorspelbaar vererven.

Mutaties:
Het zijn plotse erfelijke wijzigingen die ontstaan in een lichaam zonder dat bevruchtingen er een invloed op hadden. Deze wijzigingen kunnen onder invloed van de milieuomstandigheden ontstaan; bestraling, een ziekte e.d.
Een mutatie ontstaat niet noodzakelijk in een geslachtscel ook in gewone vermeerderingscellen kunnen mutaties ontstaan. De meeste gekende mutaties zijn dan ook erfelijk belast.
Door het verschuiven van genen, het wisselen van genen of het verspringen van genen naar een ander chromosoom. bv. het appelras; Schone van Boskoop.

De soort:
Is een variatie tussen individuen die genetisch vast ligt. Meestal is het zo dat de uiterlijke vorm en gedrag of levenswijze sterk verschillend is tussen soorten onderling en zelden zijn ze onder elkaar te kruisen. Soortkruisingen kunnen zeer extravagante resultaten opleveren die niet voorspelbaar zijn. Van nature komt dit uiterst zelden voor en als het dan toch zou voorkomen is er dikwijls nog een genetisch probleem voor wat de voorplanting betreft.

Bv. Apis mellifera Westerse honingbij tropisch tot gematigd Euro-Afrika met een grote variatie van duidelijk verschillende genetische typen die we ondersoorten noemen.
A.m. mellifera of de zwarte bij;
A.m. ligustica of de Italiaanse bij;

A.m. carnica of de Krainer bij; 

A.m. caucasica of primorsky de Russische bij;              
A.m. iberica of de Spaanse bij;
A.m. major en intermissa of de Marokkaanse bij;

A.m. sicula of de Siciliaanse bij,
A.m. scuttelata Oost-Afrikaanse bij;
A.m. sahariensis of de Sahara bij;
A.m. macedonica of de Griekse bij;   
A.m. cecropia of de Zuid-Griekse bij;

Enz.

Apis cerana Oosterse honingbij tropisch tot  gematigd Azië;
Apis cerana koschevnikovi
Apis cerana nuluensis Uit Indië, Indonesie, Borneo.
Apis cerana nigrocincta Idem.
 
Apis dorsata tropische honingbij uit Azië, bouwt in open lucht aan tak of rots.(dwerghoningbij)
Apis dorsata florea idem.
Apis dorsta andreniformis uit China en Vietnam.
Apis dorsata laborioso Nepalbijen